In 1713 was de vesting Brielle een feit. Het resultaat van bijna twintig jaar werken was een mooi voorbeeld van het zogeheten (oud) Nederlands vestingstelsel. In de plaats van de (relatief dunne) stenen muren waren brede aarden wallen en bastions opgeworpen, omgeven door een brede gracht.
De kogels van de vijand hadden weinig effect op de wallen; zij werden erin gesmoord. Vanaf de vooruitgeschoven bastions kon de vijand op afstand worden gehouden en een aanval op de courtines (de wal tussen de bastions) worden afgeslagen. Om de vijand nog verder terug te dringen waren zowel in de bastions als op de courtines kanonnen geplaatst.
De vesting telt negen bastions, met elk een eigen naam: het Molenbolwerk, het Kruithuisbolwerk, het Galgebolwerk, het Bleykersbolwerk, het Westerbolwerk, het Hollebolwerk, het Oranjebolwerk, het Lijnbaanbolwerk en het Kijkpaalbolwerk. Daar buiten liggen in de veste nog vijf ravelijnen: vier daarvan liggen voor de stadspoorten en dienden om deze te beschermen; de vijfde – het waterravelijn – diende als extra bescherming voor de courtine aan de zuidoostflank.
Tenslotte waren er nog twee sortiepoortjes in de oostflank, waardoor een uitval gedaan kon worden.
In 1780, ten tijde van de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) werd de vesting in staat van verdediging gebracht en stonden er meer dan honderd stukken geschut opgesteld op de wallen. In 1794, bij de komst van de Fransen, werd de stad opnieuw gereed gemaakt voor de strijd en werden de kanonnen weer vanuit het arsenaal naar de wallen gereden.
Op het eind van de zeventiende eeuw, op 23 juli 1694, namen de Staten (eindelijk) het besluit om Brielle op een ingrijpende wijze van nieuwe verdedigingswerken te voorzien. De nieuwe vorm die de stad zou krijgen werd ontworpen door vestingbouwers Willem Paen (die werkte voor de Staten van Holland) en zijn beroemde evenknie Menno van Coehoorn (werkzaam voor de stadhouder en de Staten-Generaal). Sinds 1713 is er weinig aan de vesting veranderd, zodat de verdedigingswerken tot de belangrijkste van Nederland behoren.
Brielle, Eén van de steden waarover Willem Paen, de inspecteur-generaal van de fortificatiën in de provincie Holland, advies vroeg aan Van Coehoorn was een strategisch aan de Maasmond gelegen stad: Brielle. Hij had al eerder een ontwerp ingediend ter verbetering van de verdedigingswerken van de stad, maar het bestuur van de provincie had daar niet direct mee ingestemd. In 1700 kwam Menno van Coehoorn een dag naar Brielle en deed aanbevelingen die Willem Paen kon verwerken in zijn nieuwe ontwerp. Het plan bevatte het idee voor een afsnijding van de stad in het zuiden, waar de stad het kwetstbaarst was – een idee dat in 1618 ooit al was ingediend, maar nooit was uitgevoerd.
Vervolgens was het aan het Brielse stadsbestuur om akkoord te gaan, maar de vroedschap had opmerkingen en bezwaren bij het ontwerp van Paen en Van Coehoorn. Zo zou bijvoorbeeld het Sint-Catharinagasthuis in Paens’ plan geheel verdwijnen en diverse huizen moesten wijken, waarvoor de eigenaren een vergoeding moesten ontvangen. Paen paste zijn ontwerp aan, en dat resulteerde in 1703 in een definitieve ontwerptekening die zich in de collectie van het historisch museum van Brielle bevindt. Daarin is te zien dat de beoogde vestinggrens een stukje opgeschoven is, waardoor het Sint Catharinagasthuis niet afgebroken hoefde te worden.
Van Coehoorn was een goed militair strateeg. Hij dacht in “linies”. Het basisidee van zijn theorie is, dat het de vijand onmogelijk moet worden gemaakt om rechtstreeks op de gemetselde stenen basis van de hoofdwal te schieten. Eerst moesten de ervoor gelegen verdedigingswerken worden veroverd om vervolgens van daaruit via beschietingen schade toe te brengen aan de hoofdwal en bastions. Vanaf de kant van de verdedigers moest het schootsveld (het zicht) juist volkomen vrij zijn en konden de hoger gelegen verdedigingslinies met vuur dekking bieden aan de lager opgestelde troepen.
Geef een antwoord