Gedicht van Albert Prins
(ter gelegenheid van ‘Brielle 300 jaar huidige vesting’, 2013)
Na Brielle’s val
verdwenen de muren
en bouwde men wal na wal
Zo verschenen er
ver na de protestantse zege
monniken, op de beren, zes in getal
De monniken op de beren
voelden al driehonderd keren
de zinderende zomerzon die hitte bracht
Dan strekten de beren zich loom in het warme water van de gracht
Ook driehonderd maal werden boven hun hoofden de luchten grijs
en lagen de beren verstild in het koude ijs
De monniken op de beren
zagen de dames van Brielle flaneren
met parasols en tasjes met veren
op de wallen, gechaperonneerd door heren
Die streelden elkaar met hun ogen en schuifelden hand in hand
De monniken op de beren hadden daarvan geen verstand
De monniken op de beren
hoorden Catharijnes tonen vrolijk jongleren
en ‘t vredig wieken van ‘t Vliegend Hert in de wind,
de vrolijke zang en de schaterende lach van een vestingkind
Maar ook het ratelend gaan van een paard en een wagen
hoorden de monniken op de beren die in het water lagen
Maar…… zo is het niet gegaan
De monniken op de beren kunnen het leven niet verstaan
Zij hebben gevoeld noch gezien en niets gehoord
Zij zijn slechts monniken in steen en in woord
De monniken op de beren zwijgen
Zij zeggen ons niets
Maar zij roepen
beelden op!
Albert Prins
Geef een antwoord